3 november 2015

Boosheid

De forse instroom van vluchtelingen zorgt voor boosheid en ongerustheid bij een deel van de samenleving. Met boosheid doel ik niet op de aanhangers van de NVU die als een soort van ramptoerisme allerlei bijeenkomsten in verschillende gemeenten verstoren, maar vooral dat deel van de samenleving die na de opkomst van Pim Fortuyn een gezicht heeft gekregen en nu veelal gerepresenteerd worden door de PVV. Uit een recent verschenen rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat de samenleving democratie een groot goed vinden maar weinig vertrouwen hebben in de representatie daarvan door de politiek. Als ik mensen hun boosheid hoor uiten ten aanzien van de instroom doet mij dat vaak denken aan een citaat van Aristoteles:

“Iedereen kan kwaad worden, dat is niet moeilijk. Maar om kwaad te zijn op de juiste persoon, in de juiste mate op het juiste moment, met de juiste bedoeling en op de juiste manier,  dat is niet binnen ieders bereik en dat is niet gemakkelijk.”

Wat je je kunt afvragen is of de boosheid van mensen terecht is? Als de boosheid zich richt tegen de vluchteling zelf dan is het antwoord wat mij betreft neen! Je zult maar wonen in een oorlogsgebied als in Syrië. Als die boosheid zich richt tegen de politiek dan is dit naar mijn mening wel terecht. Er is al veel gezegd en geschreven over het gebrek aan regie. Ik moet toch helaas constateren dat de Rijksoverheid ten aanzien van het nemen van regie nog steeds in gebreke blijft. Het verbaal bestrijden van het symptoom Wilders is geen regie nemen. Dat miskent ook de boodschap die er achter het verhaal schuilgaat, namelijk dat er in onze samenleving ongerustheid en wantrouwen bestaat. Het plaatsen van een oproep in de Volkskrant om de discussie over vluchtelingen beschaafd te voeren onderschrijf ik maar is onvoldoende. Het had in de rede gelegen dat de Minister-President het voortouw had genomen om het Nederlandse volk via NPO1 toe te spreken en uit te leggen wat er aan de hand is en op welke wijze de overheid de problematiek aanpakt. Door dat niet te doen komt heel veel op de schouders van lokale politici terecht, die zo goed en kwaad als het kan proberen de problematiek te kanaliseren. Ik vind ook dat er te weinig aandacht is voor dat deel van de samenleving dat ontevreden is en daarbij met een wat jaloerse blik kijkt naar de vluchteling die in hun ogen alles krijgt wat zij niet kunnen verkrijgen. Je kunt wel constateren dat dit niet terecht is maar het is dus wel een maatschappelijk probleem. De overheid is er om maatschappelijke problemen op te lossen. Wat dat betreft ligt er voor de politiek een nieuwe uitdaging. Ik heb geen pasklare oplossingen voor het gesignaleerde probleem, maar propageer wel dat de politiek dit als domein toe-eigent en serieus nadenkt hoe een en ander kan worden aangepakt. Erkenning van het probleem en het ontwikkelen van een oplossing daarvan kan vertrouwen in de politiek vergroten. Er is sprake van een terugtred van de overheid op het functioneren van de samenleving. Het is echter te kort door de bocht om te verklaren dat de Nederlandse samenleving een participatiesamenleving is. Als dat zo zou zijn was er minder boos- en ongerustheid